De grondlegger van systemisch werk en zgn. familieopstellingen is Bert Hellinger. Hij bracht dieper
inzicht in wat er onder de oppervlakte speelt in familiesystemen. Problemen blijven zich zijns inziens van generatie op generatie herhalen, vaak onbewust, tótdat ze aangekeken en erkend worden.
Ieder mens kent meerdere ‘systemen’ waar hij onderdeel van uitmaakt. Mogelijkheden én moeilijkheden -in de vorm van spanningen, conflicten, remmingen of blokkades- ontstaan door een verstoorde dynamiek binnen één of meerdere systemen.
Systemische coaching is een begeleidingsvorm waarbij naar de cliënt in relatie tot zijn systemen wordt gekeken. Dit wil zeggen: de context waarin hij leeft en functioneert, zoals zijn huidige gezin, vriendenkring, werkkring, gezin van herkomst en andere sociale verbanden.
Iedereen hoort erbij . Mensen hebben een natuurlijke behoefte om ergens bij te horen. Buitensluiting zal bewuste en vaak ook onbewuste spanningen veroorzaken. Dit gebeurt door iemand te negeren, te pesten, te vergeten of niet mee te nemen in besluiten,
Iedereen heeft een eigen plek. Er een natuurlijke rangorde binnen systemen. In een gezin staan de oudsten boven de jongsten en de ouders boven de kinderen. In een werkomgeving bepaalt de functie en het aantal dienst- of ervaringsjaren de plaats in de ordening. En voor elke ander systeem geldt iets vergelijkbaars. Verstoring van de natuurlijke ordening geeft onbalans, en spanningen of conflicten.
In sociale relaties en systemen is er altijd een onzichtbaar evenwicht. Als de een geeft en de ander alleen neemt, zal dit op termijn tot wrijving, spanning, conflict en verwijdering leiden.
Iemand draagt onbewust het lijden, de last(en) of lot van een voorouder (nog levend, of inmiddels overleden).
Iedereen hoort erbij. Er ontstaat onbalans als een situatie of een persoon uit het systeem al dan niet opzettelijk ‘vergeten wordt, of verzwegen dan wel buitengesloten. Er kunnen zogezegd geen bladzijden uit het familiegeschiedenisboek gescheurd worden. Vaak wordt de persoon teruggebracht via een nazaat (niet zelden een kind) die zich identificeert met de vergeten of verzwegen (voor-)ouder.
Een nu levende persoon, kind of (bijna-)volwassene kan de last van een ouder of voorouder op zich nemen. Dit kan gebeuren uit loyaliteit, maar ook vanwege schuld- of schaamtegevoelens. Of, omdat de persoon in kwestie ziek is/ was, en het eigen lot niet kon dragen.
Om meerdere redenen kan iemand niet op zijn plek (willen) staan. Dat kan zijn omdat de ander zijn/ haar verantwoordelijkheid niet pakt, incompetent is, niet of onvoldoende beschikbaar is, of omdat er voor deze persoon gezorgd wordt. Kinderen zorgen vaak voor hun ouder(s) wanneer ze merken dat deze(n) taken of rollen niet vervullen. Parentificatie leidt o.a. tot rolverwarring, uitputting of loochening van eigen behoeften. Ook wanneer deze kinderen volwassen zijn geworden, blijven ze vaak gevangen in patronen van vroeger.
In relaties is evenwicht nodig tussen geven en ontvangen. Wanneer een van beiden structureel meer geeft of ontvangt, ontstaat spanning, onvrede of onderlinge verwijdering.
Iemand leeft het leven van een (veelal inmiddels overleden) familielid. Zo kan een kind zich gaan gedragen als de overleden sibling. Dit leidt tot het gevoel zichzelf niet te (kunnen) zijn, of a.h.w. naast zichzelf te leven.
Niet erkend of onverwerkt verlies kan zich gaan uiten in lichamelijke klachten, bindingsproblemen of existentiële onrust in latere generaties.